Biologie

Uit Weet Magazine: Zo vrij als een vogel

Door

op

Elk najaar trekken miljoenen vogels de wereld over. Ook over Nederland, vooral ’s nachts. In sommige oktobernachten zijn dat er ruim twintig miljoen! Een intrigerend fenomeen, want hoe weten die vogels zo precies waar ze heen moeten en wanneer het de beste tijd is om te vertrekken? En hoe houden ze het vol om zulke lange afstanden te vliegen? Theunis Piersma, de eerste en enige trekvogelprofessor ter wereld, kan daar meer over vertellen.

Wat drijft trekvogels om enorme afstanden af te leggen? Ontvluchten ze de kou door naar het warme zuiden te vliegen, zoals vaak wordt gezegd? Daar lijkt het misschien wel op, maar in feite heeft hun vertrek niet zozeer te maken met de dalende temperatuur, maar vooral met de dalende voedselbeschikbaarheid. Voor rosse grutto’s moeten er in de modderige wadbodem bijvoorbeeld voldoende wadpieren of krabbetjes te vangen zijn. Voor de Noordse stern is het belangrijk dat er zo lang mogelijk daglicht is om zo veel mogelijk te kunnen jagen op vis. En in de tropen vliegen vogels zoals toekans en kolibries lange afstanden om respectievelijk meer gerijpt fruit en met nectar beladen bloemen te vinden.
„De vraag waarom vogels trekken vind ik het makkelijkst te beantwoorden door de vraag om te draaien: waarom zou je Verschillende routes nog intekenen eigenlijk niet trekken als je kunt vliegen?”, zegt Theunis Piersma gevat. Hij is als hoogleraar trekvogelecologie verbonden aan de Rijksuniversiteit Groningen. „Overal ter wereld zijn seizoenen met goede en minder goede tijden qua voedselvoorziening. Als je dan vleugels hebt en je snel en efficiënt kan bewegen, waarom zou je daar dan geen gebruik van maken door op verschillende momenten naar verschillende plekken te gaan?”

Vetvoorraden
Dat trekvogels de vleugels nemen om op zoek te gaan naar nieuwe voedselvoorraden, betekent niet dat ze vertrekken op het moment dat ze honger krijgen. Integendeel, net voor vertrek eten ze zich juist helemaal vol, om een vetvoorraad aan te leggen voor onderweg. „Trekvogels worden geholpen door een soort interne kalender, waardoor ze al ver van tevoren beginnen met voorbereiden”, vertelt Piersma. „Vaak beginnen ze al in februari met extra te eten om in april klaar te zijn voor de reis. Ze zijn heel strategisch bezig.” Jonge vogels blijken dit ook al instinctief te doen, zelfs als hun ouders al eerder zijn weggetrokken. Opvallend is dat de vogels vaak precies zoveel vet opslaan als dat ze nodig hebben voor onderweg. Een goudplevier zorgt bijvoorbeeld voor zo’n zeventig gram extra vet, wat kan neerkomen op de helft van zijn normale lichaamsgewicht. Onderzoekers hebben uitgerekend dat dat precies voldoende is voor de reis die de goudplevier maakt van Alaska naar Hawaii, als de vogel tenminste wel energie bespaart door samen met soortgenoten in een V-formatie te vliegen (zie pagina 11 van Weet 26).
Het vet dat trekvogels opslaan is ook nog eens extra licht van gewicht, doordat het – vergeleken met andere energiedragers, zoals suikers – relatief weinig water bevat. Dat scheelt ballast onderweg. De vogels kunnen dat water best missen, ondanks het feit dat ze onderweg niet of nauwelijks kunnen drinken. Bij de vetverbranding komt namelijk water vrij, waardoor trekvogels toch voldoende vocht hebben.

Dit is het eerste stuk van het artikel Zo vrij als een vogel uit het oktobernummer van Weet. Wil je meer lezen? Neem dan een abonnement op Weet Magazine.

Aanbevolen