Zonen van Set versus gevallen engelen
Hier volgt de uitleg die de StudieBijbel geeft bij Genesis 6:1-4. Dit korte gedeelte gaat over het huwelijk van de zonen van God (of: zonen van de goden)1 met de dochters van de mensen, waaruit reuzen geboren worden. Hun daden vormen een directe aanleiding voor de zondvloed. God spreekt in zijn oordeel voor wat betreft de leeftijd van de mensen over een beperkte tijd van 120 jaar.
Deze geschiedenis roept veel vragen op. Laten we beginnen met de identiteit van de zonen van God. Die wordt meestal op drie verschillende manieren verklaard:
- De zonen van God zijn nakomelingen van Set en de dochters zijn nakomelingen van Kaïn. Beide geslachten, die vanwege verschil in godsdienst apart behoren te leven, vermengen zich.
- De zonen van God zijn engelen of geesten die in mensengedaante op aarde verschijnen en huwen met aardse vrouwen.
- De zonen van God zijn vooraanstaande mensen, koningen of andere heersers.2
De volgende overwegingen zijn van belang om tot een beoordeling te komen:
- Vanuit de samenhang met hoofdstuk 4 en 5 ligt het voor de hand dat niet slechts de vrouwen uit het nageslacht van Kaïn bedoeld zijn (mogelijkheid 1), maar de vrouwen uit de gehele mensheid (mogelijkheden 2 en 3). In Gen.4:22 wordt alleen Naäma genoemd als dochter in het geslacht van Kaïn en staan er geen andere ‘dochters van de mensen’. In hoofdstuk 5 staat maar liefst negen keer ‘en hij verwekte zonen en dochters’, van Adam af tot Lamech, de vader van Noach, toe. Het is aannemelijk dat Gen.6:1 hierop een vervolg is: ‘Toen de mensen zich op de aarde begonnen te vermenigvuldigen en aan hen dochters geboren werden…’. Dit zijn in hoofdstuk 5 echter allemaal vrouwen in de geslachtslijn van Set! Daarom is de eerstgenoemde uitleg, dat alleen dochters uit het geslacht van Kaïn bedoeld zijn, niet zo aannemelijk.
- De uitleg dat alleen de vrouwen uit het geslacht van Kaïn bedoeld zijn, kan alleen gehandhaafd worden door de uitdrukking ‘mensen’ in de verzen 1 en 4 verschillend te interpreteren: in vers 1 alle mensen (of het geslacht van Set) en in vers 4 de nakomelingen van Kaïn. Het ligt meer voor de hand dat dezelfde groepen bedoeld zijn.
- Het is vreemd dat bij de eerste uitleg alleen de dochters van Kaïn ‘schoon’ zijn, en de nakomelingen van Set niet op een vergelijkbare manier aangeduid worden.
- De uitdrukking ‘zonen van God’ wordt op andere plaatsen gebruikt voor hemelse wezens.3
- Dat de ‘zonen van God’ mannelijk zijn past bij het gegeven dat de engelen in de Bijbel altijd mannelijk voorgesteld worden (bijv. Gen.18; Dan.9:21; Hand.1:10-11).
- De tegenstelling tussen ‘van God’ en ‘van de mensen’ in deze verzen maakt het onaannemelijk dat een tegenstelling tussen twee soorten (hoog en laag geplaatsten) of geslachten van mensen bedoeld is.
- De uitdrukking ‘zagen en namen’ wijst op een ongelijkheid in positie.
- Waarom zou de uitdrukking ‘zonen Gods’ voor de nakomelingen van Set gebruikt worden als hun daden de toorn van God oproepen? Dat is innerlijk tegenstrijdig, omdat hun vroomheid niet kan samengaan met het nastreven van verkeerde huwelijken (vgl. 2Kor.6:14). En blijkbaar is hun vroomheid ook onvoldoende om gered te worden in de grote vloed, want zij sterven allen. Alleen Noach en zijn gezin overleven de vloed.
- Het is aannemelijk dat 2Pet.2:4-8 en Jud.1:6-7 op deze geschiedenis betrekking hebben. Petrus verwijst naar engelen die gezondigd hebben, zodat ze in de tartarus geworpen werden. Dit gebeurde mogelijk in de tijd van Noach. Judas noemt de seksuele zonden.
- Er zijn oude mythologieën bekend waarin goden een seksuele relatie hebben met mensen. Het is mogelijk dat hierin herinneringen bewaard zijn aan gebeurtenissen als in Gen.6.4
- Later in het OT worden bij gemengde huwelijken, die de dienst van God bedreigen, andere maatregelen genomen (Ezra 9-10 en Neh.13). De zware straf van uitroeiing van de mensheid is beter verklaarbaar wanneer de grenzen tussen gevallen engelen en mensen uitgewist worden en het menselijke geslacht hierdoor volledig aangetast wordt.
- Ook is de geschiedenis van de uitleg van belang. In het vroege Jodendom is alleen de uitleg aanwezig dat engelen bedoeld zijn. Vanaf de tweede eeuw n.Chr. komt de opvatting op dat verbintenissen tussen mensen bedoeld zijn, waarbij ‘zonen van God’ geïnterpreteerd worden als ‘zonen van de edelen/heersers’. De eerste christelijke auteur die de mogelijke uitleg noemt dat de nakomelingen van Set bedoeld zijn, is Julius Africanus (ca. 221).5
Op grond hiervan is de uitleg dat hemelse wezens bedoeld zijn, de meest aannemelijke.6 Er kan worden tegengeworpen dat engelen niet trouwen7, maar dat is hier niet van toepassing. Immers, engelen kunnen in mensengedaante verschijnen en zijn dan wel geslachtelijk (vgl. Genesis 19:5; Richteren 13:6).
Voetnoten
2 M.G. Kline heeft in 1962 deze opvatting naar voren gebracht. Hij neemt aan dat de heersers van het geslacht van Kaïn vrouwen namen uit de gehele mensheid. Rita E. Cefalu geeft een globale verdediging van dit standpunt, maar ook een wijziging omdat zij meent dat de heersers tot het geslacht van Set behoren. ‘Royal Priestly Heirs to the Restoration Promise of Genesis 3:15: A Biblical Theological Perspective on the Sons of God in Genesis 6’, WTJ 76 (2014) 351-370.
3 Job1:6; 2:1; 38:7. Soortgelijke uitdrukkingen staan in Ps.29:1; 89:7 en Dan.3:25. De uitleg van Ps.82:1 is omstreden, maar steeds meer uitleggers denken aan hemelse wezens, en niet (alleen) aan rechters. Zie ook Deut.32:8 in LXX en Qumran: ‘naar het getal van de zonen Gods’ = engelen. Vgl. ook Dan.10. Uit de teksten in Job blijkt dat een afvallige engel (‘satan’) toch de titel van godenzoon draagt. Het woord betekent niet alleen ‘zoon’, maar ook ‘behorend tot’. Soms wordt voor mensen de term ‘zoon van God’ gebruikt, bijv. in 2Sam.7:14, maar daar blijkt uit het verband hoe de uitdrukking bedoeld wordt en is de genoemde tegenstelling niet aan de orde. In het geval van koningen of andere hooggeplaatsten is ook de overtreding van het huwen met menselijke meisjes niet duidelijk. Vgl. SBOT 6, Excurs 3, ‘Zonen van God’.
4 In Ugarit is een rituele tekst gevonden, waarin de god El bij twee vrouwen de zonen Shgr en Shlm (‘Dageraad’ en ‘Schemering’) verwekte. In een Hethitische tekst verwekte de god Kumarbi een zoon bij een sterfelijke vrouw. Het is opmerkelijk dat in het Gilgamesj-epos de hoofdpersoon gezien wordt als gedeeltelijk goddelijk en gedeeltelijk menselijk; hij heeft een grotere gestalte dan andere mensen. In de Griekse mythologie gaat het werk van Hesiodus in op de vermenging van goden en mensen. Dat geldt ook voor het Fenicische werk van Sanchuniathon (genoemd bij Philo). Zie J.J.T. Doedens, 280-284.
5 In Gen.3:24 zijn hemelse wezens (cherubs) al geïntroduceerd. De uitleg dat (gevallen) engelen bedoeld zijn, is de oudst bekende uitleg die voorkomt in het Genesis Apocryphon (gevonden in Qumran) en in de pseudepigrafen 1Henoch 6 en Jubileeën 5:1. Daar staat trouwens ook dat die engelen gestraft worden. Philo (ca. 20 v.Chr. – 50 n.Chr.) heeft Over de giganten geschreven, een verhandeling over Gen.6:1-4, waarin hij zegt dat engelen (demonen) bedoeld zijn. Flavius Josephus schrijft: ‘Vele engelen van God verenigden zich met vrouwen en verwekten bij hen hoogmoedige zoons … Volgens de overlevering deden zij dingen die sterk doen denken aan de euveldaden die door de Grieken verteld worden over de giganten’ (Oude Geschiedenis, I, 73). Rabbi Simeon bar Yochai in Genesis Rabbah 26:5 en de Griekse vertaling van Symmachus kiezen voor verbintenissen tussen mensen, maar de hoofdstroom in het Jodendom houdt vast aan de interpretatie van engelen, zoals blijkt uit Pirqe Rabbi Eliezer, hfst.22 (8e eeuw). Zie A.T. Wright, 2005, voor de verwerking van Gen.6:1-4 in de vroegjoodse literatuur en Doedens, 92-93, 115-116, 141-144.
6 In de protestantse traditie overheerst de uitleg dat de nakomelingen van Set bedoeld zijn; de laatste decennia geven veel orthodoxe uitleggers de voorkeur aan de verklaring dat engelen bedoeld zijn. Zie W.A. VanGemeren, ‘The Sons of God in Genesis 6:1-4’, WTJ 43 (1981) 320-348 en Doedes, 2013. Vgl. ook J.L. Nevius, 1897, die parallellen ziet met mythologische verhalen over halfgoden (die voor een deel op waarheid zullen berusten) en demonische ervaringen in China (spec. p. 371-376).