Skip to main content

Uit koolstof-14-metingen blijkt dat de natste periode voor het Saharagebied in Noord-Afrika na de nazondvloedse IJstijd kwam. Dit heet het Holoceen subpluviaal of de late Sahara regentijd. Hoewel de ‘absolute jaartallen’ die uit de koolstof-14-methode volgen voor de Bijbelse tijdschaal veel te oud zijn, is de relatieve ouderdom toch nuttig. Een Bijbelse IJstijd biedt een verklaring voor deze late Sahara regentijd.

Koolstof-14-dateringen van archeologische plekken uit het Neolithicum van Noord-Afrika lijken uit te wijzen dat het Holoceen subpluviaal lang na het terugtrekken van de ijskappen (laatste fase van de IJstijd) eindigde. Dit lijkt tegenstrijdig omdat – en seculieren zijn het daarmee eens – andere natte gebieden die nu halfdroog (semi-aride) of een woestijn zijn zich allemaal tijdens de IJstijd ontwikkelden. Dat was een periode met een nat klimaat, met afwisselend natte en minder natte perioden binnen dat tijdsbestek.

Onbekende oorzaak

Seculiere wetenschappers weten eigenlijk niet waarom het Holoceen subpluviaal plaatsvond. Op basis van de verhouding van zuurstofisotopen in het water is bekend dat de neerslag voor het Holoceen subpluviaal afkomstig was uit de intertropische convergentiezone (een strook waar hevige regens kunnen vallen, die zich van oost naar west uitstrekt). Het is onbekend waardoor deze zone zich op een of andere manier tot 600 kilometer noordelijker bewoog.

Sommige modellen gaan uit van wisselingen in de Milankovitchcycli (dat zijn klimaatschommelingen die zich gedurende honderdduizenden jaren zouden herhalen) en een toename van broeikasgassen. Daarmee lukt het om de intertropische convergentiezone een beetje noordelijker te krijgen. Maar deze factoren veroorzaken slechts kleine veranderingen in de stralingsbalans van de aarde na de IJstijd. Het is onwaarschijnlijk dat de intertropische convergentiezone daarmee veel verder naar het noorden kan worden verplaatst. Het koolstofdioxidegehalte is vandaag de dag aanzienlijk hoger dan direct na de IJstijd. Toch blijft de intertropische convergentiezone stabiel over Centraal-Afrika, omdat het op z’n gemiddelde positie wordt vastgehouden door de gemiddelde luchtstromingen in de atmosfeer.

Bijbelse verklaring

Er is een kenmerk van de Bijbelse IJstijd dat de oorzaak en timing van het Holoceen subpluviaal kan verklaren. De IJstijd duurde namelijk langer op het zuidelijk halfrond dan op het noordelijk. Op het noordelijk halfrond werd het toppunt van de IJstijd (glaciaal maximum) zo’n 500 jaar na de zondvloed bereikt. Het terugtrekken van het ijs duurde nog eens 200 jaar (700 jaar in totaal). Maar het glaciaal maximum op het zuidelijk halfrond werd mogelijk pas zo’n 300 jaar later bereikt, omdat er meer tijd nodig was om de Antarctische ijskap op te bouwen. De atmosfeer en de oceanen van de twee halfronden hebben slechts weinig onderlinge uitwisseling van water en lucht, dus praktisch gezien zijn ze onafhankelijk van elkaar. En omdat er op het zuidelijk halfrond een veel groter oceaanoppervlak is dan op het noordelijk, duurt het langer voordat de oceanen op het zuidelijk halfrond afkoelen (afkoelen is 75% het gevolg van verdamping en 25% van koude luchtstromen die vanaf de continenten komen).

Hoe verklaart dit de groene Sahara in het Holoceen subpluviaal? Vandaag de dag weet men dat de intertropische convergentiezone steeds een beetje heen en weer schuift, zo’n 10 breedtegraden weg van het winterhalfrond (dat is het halfrond waar het op dat moment winter is). Dit laat zien dat na het einde van de IJstijd op het noordelijk halfrond, de IJstijd die op het zuidelijk halfrond nog gaande was de intertropische convergentiezone veel verder naar het noorden kan hebben geduwd. De IJstijd op het zuidelijk halfrond kon de intertropische convergentiezone met gemak 600 kilometer naar het noorden drijven, de Saharawoestijn in, waardoor de Sahara – eeuwen nadat de ijskappen in de noordelijke regionen waren verdwenen – groen kon blijven.