Skip to main content

Je schaatst op de ijsbaan en besluit na een tijdje dat je naar huis gaat. Je laat je uitrijden. In de laatste 10 seconden (tot stilstand) leg je 10 meter af. Enige tijd later doe je hetzelfde experiment. Nu leg je in de laatste 10 seconden 15 meter af.

De vraag is: is het ijs intussen ruwer of juist gladder geworden? Bedenk dat de baan met regelmatige tussenpozen wordt geveegd.

Antwoord

Maak in gedachten van je beweging een video en draai die achterstevoren af. In het eerste geval zie je jezelf dan vanuit stilstand in 10 seconden een afstand van 10 meter afleggen. In het tweede geval leg je in dezelfde tijd een grotere afstand af. Er is dan duidelijk een grotere kracht die je snelheid doet oplopen. Maar het was een ómgekeerde film… Er is in het tweede geval dus een grotere kracht nodig om je te laten stoppen. De remmende kracht van het ijs moet dan groter zijn, en het ijs is dus ruwer (stroever) geworden. Het wordt tijd voor een nieuwe veegbeurt.

Exacte uitleg (voor de liefhebbers): In het eerste geval was er op het laatste traject een gemiddelde snelheid van 10 meter per 10 seconden. Dat is 1 m/sec, oftewel 3,6 km/u. Aan het eind van het uitrijd-traject ga je 0 km/u, dus aan het begin 7,2 km/u (immers: (7,2 + 0) / 2 = 3,6)). Om deze snelheid tot nul te reduceren waren 10 seconden nodig. Elke seconde verloor je dus 0,72 km/u aan snelheid. In de tweede situatie was er op het laatste traject een gemiddelde snelheid van 15 meter per 10 seconden, ofwel 5,4 km/u. Dat betekent dat je de laatste 10 seconden inging met een snelheid van 2 x 5,4 = 10,8 km/u. Daarbij verlies je elke seconde 1,08 km/u aan snelheid. Je verliest bij het laatste traject dus sneller snelheid dan bij het eerste traject; de schaatsen ondervonden een sterkere remming. Het ijs was dus minder glad dan in het eerste geval.