Skip to main content

De bekendste geschiedschrijver van de Bijbel is Lukas, de auteur van het gelijknamige evangelie en het vervolgboek Handelingen. Alleen al het achttiende hoofdstuk van Handelingen bevat genoeg aanknopingspunten om Lukas eens flink op de proef te stellen. Want is hij eigenlijk wel zo’n betrouwbare historicus?

evangelist lukas

Lukas (Frans Hals, ca. 1625)

Jezus’ volgelingen zwermen na Zijn opstanding uit over de aarde. De arts Lukas doet daar verslag van. In het boek Handelingen legt hij vast hoe de eerste christelijke gemeenten ontstaan. De apostel Paulus speelt daarin een prominente rol. Lukas gaat met chirurgische precisie te werk. De details die hij noemt passen bij de archeologische vondsten in latere eeuwen. Kijk bijvoorbeeld maar eens naar het achttiende hoofdstuk van Handelingen.

Stadhouder Gallio

De apostel Paulus ontmoet in Korinthe de Romeinse stadhouder Gallio. Paulus wordt aangeklaagd door zijn Joodse tegenstanders, maar Gallio spreekt hem vrij (Handelingen 18:12-17).

Over deze Gallio is vanuit buiten-Bijbelse bronnen meer bekend. Eind negentiende eeuw werd namelijk in de Griekse stad Delphi een inscriptie over hem gevonden. Deze inscriptie, die in negen stukken is gebroken, stelt historici in staat om Handelingen 18, en daarmee het optreden van Paulus, nauwkeurig te dateren. De inscriptie was aangebracht in de muur van de tempel van Apollo, tussen april en juli in het jaar 52, in opdracht van keizer Claudius. Gallio wordt een ‘vriend van de keizer’ genoemd, die hem van de situatie in Delphi op de hoogte heeft gebracht. De inscriptie kan exact worden gedateerd doordat hij twee verwijzingen bevat naar de carrière van Claudius zelf. Hiermee is het een exact gedateerd document voor de periode van Gallio als Romeins stadhouder of proconsul in Korinthe.

Maar wie was Junius Annaeus Gallio nu precies? Gallio werd rond het begin van de jaartelling geboren in Cordoba, een stad in het huidige Spanje. Hij was in het jaar 56 consul van de stad Rome, maar werd in 65 door keizer Nero gedwongen om zelfmoord te plegen (hoewel andere bronnen zeggen dat hij werd vermoord). En deze Gallio wordt dus op de inscriptie van Delphi genoemd als proconsul van Achaje.

Romeinse proconsuls dienden slechts één jaar op een bepaalde plaats, van juli tot het volgende jaar juni. Zij waren ook de hoogste rechter ter plaatse. Uit de Gallio-inscriptie kun je dus opmaken dat Gallio proconsul was in Achaje tussen juli 51 en juni 52 n.Chr. Mogelijk was het korter, omdat hij om gezondheidsredenen zijn jaar niet vol maakte. Volgens Handelingen 18:12-17 verscheen Paulus als beklaagde voor Gallio in Korinthe. Als je ervan uitgaat dat de Joden Paulus aan het begin van Gallio’s bewind wilden laten veroordelen, moet deze ontmoeting in de zomer of de herfst van het jaar 51 hebben plaatsgevonden.

Voor de rechterstoel: Het podium, waar Gallio zat, is er nog!

De Romeinen veroverden Griekenland in 146 v.Chr., waarbij Korinthe volledig werd verwoest. Toch kreeg Korinthe een belangrijke plaats in het latere Romeinse rijk. De stad werd herbouwd tot hoofdstad van de provincie Achaje, en daar verscheen Paulus voor de rechterstoel van Gallio.

De Romeinen hadden Griekenland in twee provincies verdeeld: in het noorden Macedonië met Thessalonica als hoofdstad; in het zuiden Achaje met vanaf 44 v.Chr. het herbouwde Korinthe als hoofdstad. De voertaal in Korinthe was Latijn, omdat het een colonia was. Bij opgravingen is de plaats van de rechterstoel (Grieks: βῆμα (bēma), Latijn: rostra) gevonden: zie onder.

Toen Paulus voor de rechterstoel in Korinthe moest verschijnen, stond hij waarschijnlijk in de buurt van plek 1. De Romeinse stadhouder Gallio bevond zich op plek 2. (Afbeelding: Wikimedia Commons, Berthold Werner)

Wat gebeurde wanneer?

De Gallio-inscriptie stelt je in staat een absolute chronologie van Paulus’ loopbaan te reconstrueren. Daarmee lost ze een probleem op. Wat Lukas namelijk niet doet, is alles in zijn verslag exact dateren. Hij doet dat alleen in het begin, bij de geboorte en het optreden van Jezus (Lukas 2:1; 3:1-2); verder niet. De kruisiging en opstanding kunnen vanuit andere bronnen in 30 of 33 n.Chr. worden gedateerd, maar voor de bekering van Paulus en het vervolg van Handelingen zijn vrijwel geen tekstinterne gegevens. De Gallio-inscriptie levert die wel.

De Romeinse keizer Claudius schreef rond 52 n.Chr. over ene ‘Gallio’. Zie het omkaderde deel: daar staat ΓΑΛΛIΩΝ. Dit fragment is aangetroffen bij de tempel van Apollo in Delphi (Griekenland). (Afbeelding: Wikimedia Commons, Gérard)

Paulus’ zendingsreizen

Paulus verbleef tijdens zijn tweede zendingsreis meer dan achttien maanden in Korinthe (Handelingen 18:11). Die periode valt dus (zo blijkt uit de Gallio-inscriptie) samen met het jaar 51. Vanuit dit ankerpunt kun je vervolgens zijn hele tweede zendingsreis plaatsen in de jaren 50 tot 52. Als je terugrekent, kun je dan ook zijn eerste zendingsreis dateren, namelijk in de jaren 46 tot 48, en zijn bekering vond dan plaats rond het jaar 35. De derde zendingsreis valt in de jaren 53 tot 57 en zijn aankomst in Rome (Handelingen 28) in 60 n.Chr.

Priscilla en Aquila

Paulus kwam dus in het najaar van het jaar 50 in Korinthe aan. Lukas vertelt aan het begin van Handelingen 18 dat hij daar Priscilla en Aquila ontmoette, een Joods echtpaar. Zij waren kort ervoor in de stad aangekomen vanuit Italië. Wat zou hun drijfveer geweest kunnen zijn om naar Korinthe te gaan? Er wordt in Handelingen 18 niet gesproken over het tot geloof komen van Priscilla en Aquila; vanaf het begin van het hoofdstuk zijn ze medewerkers van Paulus. Dit suggereert dat zij reeds in Rome christen zijn geworden. Lukas wist dat ze Rome hadden verlaten op bevel van keizer Claudius, want die had alle Joden uit die stad verbannen (Handelingen 18:1-2).

‘Christen’ of ‘chrēsten’?

Een woord waarvan je de betekenis niet kent, zul je sneller verkeerd schrijven, zeker als dat woord uit een taal met een ander alfabet komt. De verwarring tussen de letters i en e kwam in het Grieks in de eerste eeuwen van de jaartelling vaak voor, doordat ze vrijwel hetzelfde werden uitgesproken.

Een belangrijk handschrift van het Nieuwe Testament, de Codex Sinaiticus, spelt het woord christen (χριστιανός, christianos, Handelingen 11:26 en 26:28; 1 Petrus 4:16) steeds als χρηϲτιανοϲ chrēstianos. Rond het jaar 200 n.Chr. moppert kerkvader Tertullianus dat de heidenen niet eens de naam van datgene wat zij bestrijden goed spellen: in plaats van ‘christen’ hebben ze het steeds over ‘chrēsten.

Julius Caesar (L.) en keizer Augustus (R.) hadden de Joden in Rome (naar schatting waren dat er 50.000) toegestaan zich te organiseren, maar dat hield geen formele registratie in. Er was geen burgerlijke stand of iets dergelijks.

De opvolger van Augustus, Tiberius (Lukas 3:1-2), had in het jaar 19 n.Chr. geprobeerd de Joden uit de stad te verdrijven, maar slechts een klein deel was vertrokken, en velen waren intussen ook alweer teruggekeerd. Anderen waren helemaal niet weggegaan, maar hielden zich natuurlijk wel kalm.

Keizer Claudius had in 41 n.Chr. de Joodse bevolkingsgroep al eens bevel gegeven om zich rustig te houden. Blijkbaar had dat bevel 8 jaar later geen kracht meer, want in 49 n.Chr. beval hij dat alle Joden uit Rome zouden vertrekken (Handelingen 18:2).

Suetonius

Lukas’ beschrijving van het bevel van keizer Claudius kan vanuit een andere bron worden ondersteund. Dat is de biografie die de Romeinse historicus Suetonius over Claudius schreef. Daarin staat een opsomming van maatregelen die de keizer nam: ‘De Joden die, opgehitst door Chrēstus, voortdurend ongeregeldheden veroorzaakten, verdreef hij (keizer Claudius, -red) uit Rome.’ Suetonius gebruikt de naam Chrēstus en niet Christus. Chrēstus was een veelvoorkomende naam onder slaven, maar er is geen Jood met de naam Chrēstus in Rome uit die tijd bekend. Naar wie verwijst Suetonius dan? Veel klinkers, zoals de e en de i, werden toen ongeveer hetzelfde uitgesproken. Het is dan ook waarschijnlijk dat dit een verwijzing is naar Christus.

Suetonius zegt dus dat er ten tijde van Claudius onrust onder de Joden in Rome was betreffende Chrēstus. Dat zal wijzen op meningsverschillen over de vermeende Messias: was die Jezus van Nazareth nu wel of niet de verwachte Messias (Grieks: χριστός, christos)? Sommige Romeinse Joden gingen de Messias Jezus volgen, maar andere Romeinse Joden niet. De rust in de stad werd bedreigd en keizer Claudius besloot dat de Joden dan maar weg moesten. Dat was in het jaar 49. Dit verklaart waarom ook Priscilla en Aquila vertrokken. Zij kozen voor Korinthe, waar ze kort voor Paulus arriveerden.

De feiten kloppen

Buiten-Bijbelse bronnen laten op allerlei manieren zien dat Lukas over juiste informatie beschikte omtrent de politieke leiders Claudius en Gallio. En doordat de jaartallen van het bevel van Claudius en Gallio’s verblijf in Korinthe bekend zijn, kun je ook het openbare optreden van Paulus tot op het jaar nauwkeurig dateren. Deze casestudy toont aan dat er geen enkele reden is om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van het Bijbelboek Handelingen.

Weet Meer:

  • Dit artikel verscheen oorspronkelijk in Weet 64 (2020). Bekijk hier de originele pdf.
  • P. Barnett, Historische zoektocht naar Jezus, Boekencentrum.
  • D. den Hengst, Suetonius, keizers van Rome, Athenaeum.
  • Bruce W. Winter, Rehabilitating Gallio, Tyndale Bulletin 57 (2006), pag. 291-308
  • Vond je het interessant en wil je meer lezen? Neem dan een abonnement op Weet Magazine.